• Boek 3 Artikel 7 (3:7 BW)

    Afhankelijk recht

    Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.

    Toelichting

    Artikel 3:7 BW definieert een afhankelijk recht als een recht dat zodanig aan een ander recht is verbonden dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan. De bepaling legt het fundament voor het leerstuk van de accessoriteit in het Nederlandse vermogensrecht. Waar zelfstandige rechten een eigen bestaan leiden, zijn afhankelijke rechten naar hun aard gekoppeld aan een zogenoemd hoofdrecht of moederrecht. De strekking is het waarborgen van de functionele eenheid tussen rechten die naar hun maatschappelijke en juridische functie onverbrekelijk samenhangen.

    Systematiek en rechtsgevolgen

    De kwalificatie als afhankelijk recht brengt drie fundamentele rechtsgevolgen mee. Het recht volgt het hoofdrecht van rechtswege bij overgang (artikel 3:82 BW). Het gaat teniet wanneer het hoofdrecht tenietgaat (artikel 3:81 lid 2 sub a BW). En het is in beginsel niet zelfstandig overdraagbaar of met beperkte rechten te bezwaren. De wet hanteert een abstracte definitie, maar in het verdere Burgerlijk Wetboek worden talrijke specifieke rechten uitdrukkelijk als afhankelijk gekwalificeerd.

    Nadere uitwerking

    De verbondenheid tussen het afhankelijke recht en het hoofdrecht is de spil van de definitie. Zonder vorderingsrecht kan er in beginsel geen recht van hypotheek of pand bestaan. In de praktijk en wetgeving wordt dit accessoire karakter echter enigszins gerelativeerd. Zo staat afhankelijkheid er niet aan in de weg dat een pand- of hypotheekrecht wordt gevestigd voor toekomstige vorderingen, mits deze voldoende bepaalbaar zijn (artikel 3:231 BW). Bij de zogenoemde bankhypotheek kan het zekerheidsrecht tijdelijk bestaan zonder dat er op dat moment een actuele vordering is, mits de rechtsverhouding waaruit vorderingen kunnen ontstaan nog voortduurt.

    Een ander aspect is dat hoofdrecht en afhankelijk recht in beginsel steeds in één hand moeten zijn. Een praktische uitzondering is de figuur van de security trustee, waarbij de schuldeiser van de vordering en de houder van het zekerheidsrecht niet dezelfde persoon zijn. Hoewel dit op gespannen voet lijkt te staan met het afhankelijke karakter, wordt dit in de moderne financieringspraktijk algemeen aanvaard.

    Bijzondere gevallen

    Het retentierecht vertoont kenmerken van een afhankelijk recht, maar wordt niet als volledig afhankelijk recht onder artikel 3:82 BW beschouwd. De uitoefening ervan is onverbrekelijk verbonden met de feitelijke macht over de zaak. Bij cessie van de vordering gaat het retentierecht dan ook niet van rechtswege over op de nieuwe schuldeiser, omdat deze niet automatisch de feitelijke macht verkrijgt.

    In het verbintenissenrecht is de borgtocht het typevoorbeeld van een afhankelijke verbintenis (artikel 7:851 lid 1 BW). Het recht van de schuldeiser jegens de borg is afhankelijk van het bestaan van de gewaarborgde verbintenis. De borg kan in beginsel dezelfde verweermiddelen inroepen als de hoofdschuldenaar, en de borgtocht gaat teniet als de hoofdverbintenis vervalt.

    Op het gebied van het recht van opstal bestaat de mogelijkheid van een afhankelijk opstalrecht dat is gekoppeld aan een ander gebruiksrecht, zoals erfpacht. De afhankelijkheid brengt mee dat het opstalrecht het lot van dat andere recht volgt en niet zelfstandig met hypotheek kan worden bezwaard als het hoofdrecht zich daar niet voor leent.

    Samenhang met andere bepalingen

    Artikel 3:7 BW staat in nauwe samenhang met artikel 3:82 BW (afhankelijke rechten volgen het hoofdrecht) en artikel 6:142 BW (nevenrechten gaan bij cessie over). In Boek 5 BW keert het begrip veelvuldig terug, zoals bij de erfdienstbaarheid (artikel 5:70 BW), die afhankelijk is van de eigendom van het heersende erf, en bij de mandeligheid (artikel 5:63 lid 1 BW), die afhankelijk is van de eigendom van de aangrenzende erven. Artikel 3:177 BW werkt de afhankelijkheid van beperkte rechten op een aandeel in een gemeenschap nader uit.

    Praktische betekenis

    De kwalificatie als afhankelijk recht is doorslaggevend voor de vraag of het recht afzonderlijk kan worden overgedragen of bezwaard. In de beslagpraktijk betekent afhankelijkheid dat er geen zelfstandig verhaalsbeslag op dergelijke rechten kan worden gelegd; het beslag moet op het hoofdrecht worden gelegd, waarbij het afhankelijke recht automatisch in de executie wordt betrokken. Voor de financieringspraktijk is essentieel dat bij de overdracht van een kredietportefeuille de bijbehorende zekerheidsrechten door hun afhankelijke karakter mee overgaan, mits de vorderingen zelf rechtsgeldig worden geleverd. Als een recht van erfpacht eindigt, vervallen ook de daarvan afhankelijke opstalrechten en hypotheken, tenzij de wet of de overeenkomst in specifieke bescherming of zaaksvervanging voorziet.

    Jurisprudentie

    Hoge Raad 16 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0420, De Onderdrecht/FGH en PHP Bij de overdracht van een vordering gaan de daaraan verbonden zekerheidsrechten door hun afhankelijke karakter van rechtswege mee over op de cessionaris. Hoofdrecht en afhankelijk recht blijven hierdoor in één hand. Bij een gedeeltelijke cessie ontstaat een eenvoudige gemeenschap in het zekerheidsrecht tussen cedent en cessionaris.

    Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, Glencore/Zalco Wanneer een verpande zaak door vermenging opgaat in een nieuwe zaak zonder aanwijsbare hoofdzaak, gaat het pandrecht niet teniet maar komt het van rechtswege te rusten op het aandeel van de oorspronkelijke eigenaar in de nieuwe zaak. Dit geldt ook als de vermengde zaken aan dezelfde eigenaar toebehoren. De afhankelijkheid van het pandrecht aan het eigendomsrecht wordt in dit geval voortgezet op het aandeel in de nieuwe zaak.