• Boek 3 Artikel 6 (3:6 BW)

    Vermogensrechten

    Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.

    Toelichting

    Artikel 3:6 BW vormt de centrale bepaling voor de identificatie van vermogensrechten binnen het Nederlandse privaatrecht. Het artikel definieert vermogensrechten als subjectieve rechten die hetzij afzonderlijk, hetzij tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn, of ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Samen met de zaken uit artikel 3:2 BW vormen de vermogensrechten de bouwstenen van het verzamelbegrip goederen uit artikel 3:1 BW. De wet hanteert een abstracte omschrijving in plaats van een limitatieve opsomming, waardoor het stelsel flexibel kan inspelen op nieuwe economische ontwikkelingen.

    Drie alternatieve criteria

    De definitie berust op drie alternatieve criteria — voldoening aan één ervan volstaat voor de kwalificatie als vermogensrecht.

    Het eerste criterium betreft overdraagbaarheid. De wet onderscheidt daarbij rechten die zelfstandig overdraagbaar zijn van rechten die slechts tezamen met een ander recht kunnen overgaan. Een voorbeeld van dit laatste zijn afhankelijke rechten zoals pand en hypotheek, die van rechtswege het vorderingsrecht volgen waaraan zij zijn verbonden.

    Het tweede criterium ziet op het verschaffen van stoffelijk voordeel aan de rechthebbende, wat doorgaans impliceert dat het recht op geld waardeerbaar is. Dit begrip moet ruim worden opgevat: ook rechten die strekken tot kostenbesparing of het verkrijgen van diensten kunnen hieronder vallen.

    Het derde criterium heeft een historische en causale insteek: rechten verkregen in ruil voor een opgeofferd of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel worden eveneens als vermogensrecht aangemerkt.

    Nadere afbakening

    Persoonlijkheidsrechten — zoals het recht op eer en goede naam of op lichamelijke integriteit — vallen buiten de definitie van artikel 3:6 BW, omdat zij de vereiste vermogensrechtelijke inslag missen. Een inbreuk op zulke rechten kan overigens wel een vermogensrechtelijke vordering uit onrechtmatige daad doen ontstaan.

    Er bestaan rechten die wegens hun persoonlijke aard of een wettelijk verbod onoverdraagbaar zijn, maar toch als vermogensrecht gelden omdat zij de rechthebbende stoffelijk voordeel verschaffen. Een voorbeeld is het recht van gebruik en bewoning, dat strikt aan de persoon is gebonden maar ontegenzeggelijk een economische waarde vertegenwoordigt.

    Bijzondere gevallen

    Goodwill wordt naar de heersende leer niet als een zelfstandig vermogensrecht aangemerkt. Goodwill kan wel een rol spelen bij de waardering van een onderneming, maar mist de vereiste zelfstandigheid en wettelijke basis om als afzonderlijk goed te worden gekwalificeerd.

    Lidmaatschapsrechten in verenigingen of coöperaties nemen een hybride positie in. Indien het lidmaatschap overdraagbaar is gemaakt in de statuten, kwalificeert het als vermogensrecht en zijn de algemene regels omtrent overdracht en levering van rechten op naam van toepassing.

    Publiekrechtelijke rechten — zoals vergunningen, fosfaatrechten en emissierechten — kunnen als vermogensrecht kwalificeren indien zij een geldswaarde vertegenwoordigen en hun overdracht in het stelsel van de wet past. De overdracht als zodanig is een privaatrechtelijke aangelegenheid, ook al heeft het onderliggende recht een publiekrechtelijke grondslag.

    Intellectuele eigendomsrechten, zoals auteursrechten en octrooien, zijn bij uitstek vermogensrechten. Hun overdraagbaarheid wordt nader geregeld in specifieke wetgeving — de Auteurswet respectievelijk de Rijksoctrooiwet — waarbij artikel 3:6 BW als algemeen kader fungeert.

    Ten aanzien van bitcoins en andere digitale activa bestaat in de literatuur en lagere rechtspraak een groeiende consensus dat deze als vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW moeten worden aangemerkt. Hoewel een bitcoin geen stoffelijke zaak is en een centrale uitgevende instantie mist, heeft het object een aanzienlijke marktwaarde en is het in het economisch verkeer overdraagbaar.

    Samenhang met andere bepalingen

    Artikel 3:6 BW staat in onverbrekelijk verband met artikel 3:1 BW (definitie goederen) en artikel 3:2 BW (definitie zaken). Er is een nauwe samenhang met artikel 3:83 BW, dat overdraagbaarheid van rechten als uitgangspunt neemt maar ook de grenzen ervan aangeeft. Tevens is de bepaling relevant voor artikel 3:107 BW, aangezien ook vermogensrechten voorwerp van bezit kunnen zijn. In het verbintenissenrecht werkt de kwalificatie door bij vorderingen op naam (artikel 3:94 BW) en bij de verhaalsaansprakelijkheid van artikel 3:276 BW, op grond waarvan een schuldeiser zich kan verhalen op alle goederen — zaken én vermogensrechten — van zijn schuldenaar. Artikel 7:47 BW verklaart de koopbepalingen van overeenkomstige toepassing op de koop van een recht.

    Praktische betekenis

    In de rechtspraktijk is artikel 3:6 BW doorslaggevend voor de vraag of een object in een faillissementsboedel valt onder artikel 20 Fw. Curatoren gebruiken de criteria van dit artikel om te bepalen welke activa te gelde kunnen worden gemaakt. Voor de beslagpraktijk is het artikel leidend voor de vraag of op een bepaald recht derdenbeslag kan worden gelegd op grond van artikel 475a Rv. Bij het opstellen van overeenkomsten is een correcte kwalificatie als vermogensrecht beslissend voor de leveringswijze: waar een roerende zaak door bezitsverschaffing wordt geleverd, vereist een vermogensrecht in de regel een akte en mededeling. Een onjuiste kwalificatie kan leiden tot een gebrekkige levering en daarmee tot het uitblijven van de beoogde overdracht.

    Jurisprudentie

    Hoge Raad 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1909, ING Bank/Thielen q.q. Het wettelijke stelsel gaat ervan uit dat slechts individuele zaken of vermogensrechten als goed kunnen worden aangemerkt. Een assurantieportefeuille als samenstel van overeenkomsten en goodwill is niet één individueel vermogensrecht en valt daardoor buiten het bereik van artikel 3:6 BW. Dit arrest verduidelijkt de buitengrens van het vermogensrechtbegrip.

    Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1344, Fosfaatrechten Publiekrechtelijke rechten als fosfaatrechten, emissierechten en andere vergunningsrechten zijn overeenkomstig artikel 3:6 BW als vermogensrecht aan te merken indien overdracht in het stelsel van de wet past. Overdracht is een privaatrechtelijke aangelegenheid die ook publiekrechtelijke rechten kan betreffen. De vereisten van artikel 3:84 lid 1 BW gelden ook voor de overdracht van zulke rechten.