• Boek 3 Artikel 5 (3:5 BW)

    Inboedel

    Inboedel is het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.

    Toelichting

    Artikel 3:5 BW – Inboedel

    Artikel 3:5 BW omschrijft het begrip inboedel als het geheel van roerende zaken die dienen tot de stoffering en meubilering van een woning. Uitdrukkelijk van deze definitie uitgezonderd zijn boeken en voorwerpen van kunst en wetenschap. De bepaling vervult een belangrijke rol bij de afbakening van vermogenscomplexen in het huwelijksvermogensrecht, het erfrecht en het beslag- en executierecht. Hoewel de wet de inboedel als verzamelnaam hanteert, blijven de onderliggende objecten in goederenrechtelijke zin individuele roerende zaken.

    Drie cumulatieve vereisten

    De systematiek van artikel 3:5 BW rust op drie cumulatieve elementen: het object moet een roerende zaak zijn, de bestemming moet stoffering of meubilering zijn, en die bestemming moet betrekking hebben op een woning. Roerende zaken worden in artikel 3:3 lid 2 BW gedefinieerd als alle zaken die niet onroerend zijn. Onder woning wordt in dit verband de ruimte verstaan waar de rechthebbende zijn feitelijk verblijf heeft en een huishouding voert. Bij de vraag of een object naar aard en gebruik tot de inboedel behoort, spelen verkeersopvattingen een rol.

    Nadere uitwerking

    Stoffering en meubilering zien op zaken die strekken tot een enigszins duurzaam gebruik van de woning, overeenkomstig en ter beantwoording aan de woonbestemming. Te denken valt aan meubilair, vloerbedekking, gordijnen en huishoudelijke apparatuur. In de moderne rechtspraktijk worden ook zaken als een computer of een mobiele telefoon vaak tot de inboedel gerekend, mits zij aanwezig zijn voor de normale voering van een huishouding.

    De wettelijke uitzondering voor boeken en voorwerpen van kunst en wetenschap berust op de gedachte dat deze objecten een specifieke, meer dan louter functionele waarde vertegenwoordigen die buiten de gewone stoffering valt. Zij vallen wel onder het algemene regime van roerende zaken, maar niet onder de specifieke rechtsgevolgen die aan het begrip inboedel zijn verbonden, zoals de beslagverboden van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

    Bijzondere gevallen

    Inboedel wordt in het rechtsverkeer vaak behandeld als een algemeenheid van goederen, zodat deze als geheel kan worden verkocht of nagelaten zonder dat elk onderdeel afzonderlijk behoeft te worden gespecificeerd. Voor de goederenrechtelijke overdracht blijft echter het individualiseringsvereiste gelden: elk onderdeel moet afzonderlijk worden geleverd door bezitsverschaffing overeenkomstig artikel 3:90 BW.

    Een specifieke toepassing vindt plaats bij het fiscale bodemrecht onder artikel 22 Invorderingswet 1990. De fiscus kan beslag leggen op bodemzaken van derden die dienen tot stoffering van de bodem van de belastingschuldige. Handelsvoorraden en showroommodellen worden uitdrukkelijk niet als stoffering aangemerkt, omdat zij niet strekken tot een duurzaam gebruik ter plaatse maar bestemd zijn voor de verkoop.

    Samenhang met andere bepalingen

    Artikel 3:5 BW staat in nauwe samenhang met artikel 447 lid 1 onder a Rv, dat beslag op de inboedel verbiedt voor zover deze niet bovenmatig is, ter bescherming van het bestaansminimum van de schuldenaar. Als zaken wel als inboedel kwalificeren maar naar aantal of waarde als bovenmatig worden aangemerkt, is beslag op grond van artikel 447 lid 2 Rv alsnog mogelijk. In Boek 1 BW speelt het begrip een rol bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, waarbij de echtelijke woning en de bijbehorende inboedel specifieke bescherming genieten bij de verdeling. Tevens bestaat samenhang met artikel 3:254 BW, dat de mogelijkheid biedt een vuistloos pandrecht op de inboedel te vestigen met een hulpzakenbeding.

    Praktische betekenis

    Voor de deurwaarder is artikel 3:5 BW essentieel bij het opmaken van een proces-verbaal van beslaglegging of een boedelbeschrijving. Nauwkeurige kwalificatie van welke zaken als inboedel gelden en welke — zoals boeken of kunstwerken — daarbuiten vallen, is vereist. Een onjuiste kwalificatie kan leiden tot een vordering tot opheffing van het beslag wegens strijd met de wettelijke beslagvrije voet. Bij de boedelafwikkeling in het erfrecht bepaalt de bepaling de omvang van legaten die betrekking hebben op de inboedel. Ook bij verzekeringskwesties is het onderscheid tussen de inboedel en uitgezonderde zaken als kunst van belang voor de vaststelling van het verzekerd belang en de polisvoorwaarden.

    Jurisprudentie

    Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2700, Quint q.q./ING (showroommodellen) In een winkel tentoongestelde showroommodellen kwalificeren niet als zaken tot stoffering in de zin van artikel 22 lid 3 Invorderingswet 1990. Showroommodellen behoren tot de handelswaar en strekken niet tot een enigszins duurzaam gebruik van de ruimte waarin zij zijn opgesteld; de bestemming voor verkoop sluit stoffering uit.