• Boek 5 Artikel 19 (5:19 BW)

    Eigendom dieren

    1. De eigenaar van tamme dieren verliest daarvan de eigendom, wanneer zij, nadat zij uit zijn macht zijn gekomen, zijn verwilderd.
    2. De eigenaar van andere dieren verliest daarvan de eigendom, wanneer zij de vrijheid verkrijgen en de eigenaar niet terstond beproeft ze weder te vangen of zijn pogingen daartoe staakt.

    Toelichting

    Artikel 5:18 lid 1 BW regelt hoe iemand zijn eigendomsrecht over een tam dier kan verliezen. Nu is echter de vraag wat wordt verstaan onder tamme dieren. Dit wordt bepaald door de gebruikelijke opvatting die op moment van beoordeling is bepaald. ‘Tam’ betekent in deze context iets anders dan ‘getemd’. Zo wordt een getemde leeuw niet als een tam dier gezien.

    Als een dier zich in de natuurlijke vrijheid bevindt en niet meer teruggaat naar de eigenaar, dan is het verwilderd. Van dieren die niet als tam worden gezien, verliest de eigenaar krachtens lid 2 van dit artikel sneller het eigendom dan van tamme dieren, namelijk op het moment dat zij de vrijheid verkrijgen en de eigenaar niet meteen probeert ze te vangen of zijn pogingen daartoe staakt.

    De gevallen in zowel lid 1 als in lid 2 van dit artikel hebben tot het gevolg dat het dier een ‘res nullius’ wordt waarvan inbezitneming mogelijk is.

    Jurisprudentie

    Parket bij de Hoge Raad 12 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AI0283
    Artikel 5:19 lid 2 BW brengt mee dat de op de bezitter rustende risicoaansprakelijkheid daarvoor (vermoedelijk) wegvalt wanneer de eigenaar niet terstond beproeft het dier weder te vangen of de pogingen daartoe staakt.